ChampdAction Logo

LABORATORIUM 2007 GLOBOKAR: EISENBERG

Vinko Globokar: Eisenberg

Maarten Beirens

 

De Sloveense componist Vinko Globokar (°1934) dankt zijn reputatie binnen de hedendaagse muziek niet enkel aan zijn eigen composities, maar ook aan zijn kwaliteiten als uitvoerende muzikant. Hoeft het dan te verwonderen dat in Globokars werk de relatie tussen componeren en uitvoeren een zeer belangrijk thema is?

 

In de eerste plaats was het Globokars fenomenale virtuositeit als trombonist die hem halverwege de jaren 1960 op het voorplan bracht. Vinko Globokar profileerde zich als het soort muzikant dat voortdurend de grenzen van zijn instrument verlegt, steeds op zoek naar nieuwe mogelijkheden, nieuwe speeltechnieken, nieuwe klanken. Om die reden schreven tal van componisten speciaal voor hem werken, waaronder Mauricio Kagel (Atem) en natuurlijk Luciano Berio (bij wie Globokar ook compositie studeerde) met Sequenza V. Voor Globokars eigen muziek blijkt die ervaring als trombonist van cruciaal belang. Uitvoeren, componeren en improviseren zijn voor hem allemaal aspecten van dezelfde zoektocht naar een verbreding van de technische mogelijkheden en op die manier dus ook naar een voortdurende uitbreiding van de muzikale fantasie. In 1969, wanneer hij zich in Keulen vestigde, richtte Globokar prompt twee improvisatie-groepen op, Free Music Group en New Phonic Art: de namen zeggen al genoeg over zijn drijfveer om zich vooral niet aan de conventies te houden. Die ambachtelijke houding om vanuit de praktijk van het musiceren zelf – de fysieke relatie tussen de muzikant en zijn instrument – een vernieuwende taal op te bouwen staat tot op vandaag centraal in zijn muziek. In veel gevallen betekent dat ook dat zijn muziek een theatraal element in zich draagt – iets wat trouwens onvermijdelijk is wanneer je consequent de fysieke dimensie van het musiceren in de compositie betrekt – wat Globokar graag met een humoristische toets combineert.

 

Hoewel Eisenberg (1990) van ruim na de bloeiperiode van de speeltechnische experimenten dateert, weerspiegelt deze compositie de invloeden van dat experimentele gedachtegoed duidelijk. Eisenberg is duidelijk opgevat als een verkenningstocht langs verschillende mogelijkheden van het klassieke instrumentarium. De partituur is geschreven voor vier groepen van telkens vier muzikanten, met een zekere vrijheid over welke instrumenten de partijen precies invullen. De eerste groep bestaat uit koperblazers die naast hun normale instrument elk ook een “archaïsch” instrument (een Tibetaanse hoorn, een Marokkaanse nafir,...) moeten bespelen, de tweede groep bestaat uit monodische instrumenten (alles wat melodieën kan spelen, dus), de derde groep uit instrumenten die akkoorden kunnen spelen  en de laatste groep uit “instrumenten” die allerlei geluiden maken (percussie, objecten, speelgoed,...).

Met die vier types van instrumenten gaat Globokar aan de slag om een gevarieerd arsenaal van muzikale elementen en gestes uit te bouwen. De partituur is hierbij meer een hulpmiddel, een stimulans voor de muzikanten om mogelijkheden te ontdekken, dan een duidelijke omschrijving van het beoogde resultaat. Het werk is onderverdeeld in acht delen die elk een eigen karakter hebben (met beeldrijke titels: De Lava, Het Blok, De Schroef, Het Lemmet, De Machine, De Fusie, De Stroom en De Explosie) en ook telkens andere types van materiaal, compositietechniek en notatie gebruiken. Niet enkel hanteert Globokar het hele palet van notatiewijzen (gaande van conventionele partituurnotatie tot grafische elementen) zodat de muzikanten in de loop van het stuk steeds op andere manieren moeten omgaan met de partituur die voor hen staat, maar hij voegt ook regelmatig instructies toe die bewust nogal vaag zijn: “dronken”, “vulgair”, “agressief”, “wazig”, maar ook: “stof”, “koken”, “laagspanning” of “geblaf”. Met zulke – op het eerste gezicht misschien verwarrende – aanwijzingen dwingt Globokar de muzikanten om hun individuele creativiteit en verbeeldingskracht te gebruiken. De essentie van het zogenaamde “experimentele” gehalte van deze muziek ligt niet enkel in de brede waaier aan alternatieve speeltechnieken die hierbij komen kijken, maar in de uitdaging die de muzikanten moeten aangaan om los te komen van hun dienende functie en zelf op zoek te gaan naar de expressieve invulling die ze naar gelang hun eigen mogelijkheden kunnen bieden. Het is dat aspect van het stimuleren van de eigen muzikale fantasie bij de muzikanten, dat van Eisenberg een geknipt werk maakt om als pedagogisch project te functioneren.

 

© 2004-2019 ChampdAction