ChampdAction Logo

Kwadratuur - Modes of Interference

ZWERM & Stefan Prins: Modes of Interference
Gitaar werpt imagoveren af

12 december 2010, M HKA, Antwerpen

Wie de zondagnamiddag kent als het moment om aloude rituelen uit te voeren, gaande van een wandeling in het park tot een bezoekje aan oma, kon op 12 december maar beter wegblijven uit het M HKA. De eerste verdieping van het museum was namelijk het speelterrein voor het gitaarkwartet ZWERM met een programma dat niet veel raakvlakken had met de zondagcultuur van thee en koekjes.

Over de elektrische gitaar als fallussymbool en de bijbehorende psychologische achtergronden zijn door (muziek)sociologen al heel wat pagina’s gevuld. Ook de muzikale mogelijkheden van het instrument, van distortion tot het gebruik van pedalen en feedback, gaan ondertussen al enkele decennia mee, waarmee de vraag gesteld kan worden of rock anno 2010 nog wel muzikaal vernieuwend, laat staan uitdagend kan zijn. Een reden voor het gitaarkwartet ZWERM (Toon Callier, Bruno Nelissen, Matthias Koole en Johannes Westendorpe) om onder de vlag ‘Modes of Interference’ en met de hulp van Champ d’Action op zoek te gaan naar wat deze “speciale” technieken vandaag nog kunnen opleveren.

In ‘Modes of Interference’ – de “titeltrack” van het programma dus – van Agostino di Scipio stond de feedback centraal, een effect dat doorgaans bekend is als storend neveneffect bij live optredens of noisy geluidsmuren. Hier werd echter een heel andere esthetiek gehanteerd. Gaaf en bij momenten hemels mooi vlochten de vier gitaristen een zacht feedbackweefsel in elkaar door de posities van hun gitaar ten opzichte van de versterker steeds te veranderen. Het verlies aan energie die met deze zachtere dynamiek gepaard ging, werd ruimschoots gecompenseerd door het verleidelijke van de individuele klanken en de stapeling.

Het subtiele van het effect werd nog versterkt door de plaatsing van de muzikanten: elk had zijn eigen eilandje in een uithoek van de zaal, waardoor het publiek tussen de muzikanten in zat. Door het geluid louter uit de bij de gitaristen opgestelde versterkers te laten komen en niet te kiezen voor een centraal speakersysteem, werd de ervaring voor de luisteraar extra persoonlijk. Dichter bij de ene gitarist betekende immers noodzakelijkerwijs verder van de ander.

Naar het einde van het stuk toe verlieten de gitaristen één voor één hun persoonlijk plekje in de uithoeken van de zaal om elkaar te treffen aan een grote, centraal opgestelde tafel. Daar zat, als een pater familias, elektronicamuzikant Stefan Prins, tevens de componist van ‘Infiltrationen’. Hiervoor verdween de feedback in de kast om plaats te maken voor een heel andere “nieuwe” techniek.

Wie als louter met standaardrock opgegroeide liefhebber nog steeds grote ogen trekt wanneer een gitarist een strijkstok bovenhaalt, kon zijn pret bij ‘Infiltrationen’ hoogstwaarschijnlijk niet op. De vier gitaren, neergelegd op de tafel, werden bewerkt met allerlei huis-, tuin- en keukenvoorwerpen, van houten latjes tot een glazen bokaal. Het startschot voor deze live uitgevoerde klankoperatie werd gegeven door een gezamenlijke aanval van de vier gitaristen op hun respectievelijk instrument, gewapend met een kleine megafoon. Het resultaat was een minioerknal waaruit de rest van het stuk geboren werd: speels, soms zelfs cartoonesk, gaaf, ijl, plots weer intens of even afgesneden door een kleine elektronische laptoptussenkomst van Prins zelf.

Wie nog twijfels had bij het belang van de homo ludens (de spelende mens) kon die na het stuk meteen opbergen. Het verrassende klankbeeld en de concentratie waarmee Prins en de vier gitaristen (elk voorzien van een laptop) zich van hun taak kweten, zal meer dan één bezoeker de drang hebben bezorgd om zijn stoel bij te schuiven en mee te prutsen-spelen-manipuleren.
Het waren echter de gitaristen die weer in beweging kwamen en zich terug naar hun individuele eilandjes begaven, daarbij auditief in de rug gedekt door de laptop van Stefan Prins. Ter plaatse aangekomen werden de gitaren opnieuw ingeplugd en keerde met ‘Toovvivfor’ van Larry Polansky de sfeer terug naar die van het begin. Dit werk werd eerder dit jaar door ZWERM uitgebracht op ‘The World’s Longest Melody’, een album dat integraal gewijd is aan het werk van de Amerikaanse componist.

‘Toovvivfor’ is één van de meest betoverende stukken op de plaat en liet het publiek kennismaken met de meest feeërieke kant van ZWERM. De inzet in het hogere register, de microtonale fonkelingen (onder andere verkregen door het ter plekke verstemmen van de gitaren) en de spontaan aanvoelende puzzelstructuur waarin de verschillende gitaarpartijen elkaar troffen zorgden voor minuten van verstilde schoonheid. Het speelse ‘Infiltration’ kreeg zo een “serieuze” opvolger, maar zonder dat de deur voor de luisteraars hermetisch dichtgegooid werd.

Werken met elektronica maakt een uitvoerder dubbel kwetsbaar. Enerzijds zijn er de obligate menselijke fouten of het falen van het de instrumenten op zich, maar daarbij komen ook nog eens mogelijke storingen in kabels, aansluitingen en dergelijke meer. Het bleef ZWERM in het M HKA niet gespaard. Gelukkig wachtte het noodlot(je) tot het laatste stuk om toe te slaan en bleef de invloed beperkt tot het minder goed doorkomen van het geluid van één gitarist.

Slachtoffer van dienst was ‘27s(pNM)’ van Mario Del Nunzio. Dit werk dreef op het oerbekende, (d)rammende slagritme dat menige rockplaat zo buitengewoon inspiratieloos kan maken. Del Nunzio deed er echter zijn voordeel mee, door het monotone geluid van het ritme te laten verglijden door het gebruik van volume- en effectpedalen (handen en voeten werden hiervoor onafhankelijk van elkaar genoteerd en ingezet!), hulpmiddelen (vb bottlenecks), speeltechnieken en het veranderen van register. Door deze manipulaties bovendien te verdelen over de verschillende muzikanten ontstond een gelaagd geluid dat geen drie seconden onveranderlijk bleef.

Als ZWERM zich met ‘Modes of Interference’ in de rocktraditie wil inschrijven, lijkt het kwartet beter op haar plaats in de omgeving van Sonic Youth en consoorten dan in die van pakweg U2. De kans dat ze op een zomerfestival verschijnen is dan ook eerder beperkt, maar daarmee kan het geïnteresseerde publiek financieel en muzikaal haar voordeel doen.

Door Koen Van Meel

Bron: Kwadratuur

© 2004-2018 ChampdAction